Klimaatverandering
ESRS E1 – Klimaatverandering
E1-1 – Transitieplan voor klimaatmitigatie
Naar aanleiding van de in 2025 afgeronde herziening van de organisatie, die heeft geleid tot het stopzetten van het portfolio met kleine moleculen van de Vennootschap en de bijbehorende onderzoeksactiviteiten, is de operationele voetafdruk van de Vennootschap reeds aanzienlijk verkleind. Deze vermindering zal verder worden beïnvloed door de uitvoering van de afbouw van de celtherapie‑activiteiten, zoals beschreven in de sectie “Een nieuwe strategische koers”. Gezamenlijk veranderen deze ontwikkelingen de bedrijfsactiviteiten die eerder gecommuniceerde klimaatdoelstellingen en het voorgaande transitieplan als uitgangspunt hadden. Gezien deze ingrijpende organisatorische en operationele veranderingen, weerspiegelt het in voorgaande jaren bekendgemaakte klimaattransitieplan, met inbegrip van de broeikasgasreductiedoelstellingen voor 2030 en 2040, momenteel niet de operationele omstandigheden van de Vennootschap. Deze doelstellingen zijn ontwikkeld voor een wezenlijk andere operationele perimeter en kunnen niet langer als relevant worden beschouwd voor de strategische koers van de Vennootschap.
We herpositioneren ons momenteel voor groei op lange termijn door middel van baanbrekende business development. Ons operationele model, de configuratie van de waardeketen en de investeringsprioriteiten worden momenteel herbekeken. In deze context achten we het op dit moment niet gepast om herziene klimaatdoelstellingen, plannen voor koolstofreductie of toekomstgerichte klimaatgerelateerde ambities te publiceren, in overeenstemming met de ESRS-verwachtingen van vergelijkbaarheid, voorzichtigheid en neutraliteit in onzekere omstandigheden (ESRS 1).
Op dit moment is er geen transitieplan voor klimaatmitigatie voor de periode na de afbouw van de activiteiten, en er is nog geen besluit genomen over de vraag of, en zo ja wanneer, een nieuw transitieplan zal worden aangenomen. De relevantie van eerder vastgestelde doelstellingen en koolstofreductiemaatregelen wordt momenteel geëvalueerd, en de toepasbaarheid ervan zal afhangen van de uitkomst van de strategische evaluatie zodra het toekomstige bedrijfsmodel duidelijker wordt.
We blijven niet uitgesloten van de EU-benchmarks die zijn afgestemd op de Overeenkomst van Parijs, overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder d) tot en met g), en artikel 12, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1818 van de Commissie.
Materiële impacts, risico’s en kansen en wisselwerking met de strategie en het bedrijfsmodel (SBM-3)
Klimaatverandering werd beoordeeld als een belangrijk onderwerp voor ons in 2025, op basis van de emissies van broeikasgassen (Green House Gas, GHG) die verband houden met onze activiteiten en waardeketen tijdens de verslagperiode. Klimaatgerelateerde impacts werden geïdentificeerd via ons dubbele materialiteitsbeoordelingsproces, waarbij we gebruikmaakten van onze volledige Scope 1-, 2- en 3‑broeikasgasinventaris, die door een externe consultant werd berekend in overeenstemming met het GHG‑protocol en werd beoordeeld op basis van de ESRS‑criteria voor ernst en waarschijnlijkheid. Dit proces bevestigde dat de broeikasgasemissies die verband houden met onze activiteiten en waardeketen een materiële negatieve impact vormen met een hoge schaal en waarschijnlijkheid. Onze klimaatgerelateerde impact en kansen werden bekeken vanuit een breder 'One Health'-perspectief, waarbij we het onderlinge verband tussen het welzijn van mensen (waaronder patiënten en medewerkers) en de planeet onderkenden. Het aanpakken van milieukwesties, waaronder klimaatverandering, maakte deel uit van onze bredere duurzaamheidsoverwegingen. We erkenden het belang van het aanpakken van broeikasgasemissies en de potentiële voordelen van koolstofarmere bedrijfsvoering, terwijl we ook rekening hielden met mogelijke overgangsrisico’s, waaronder reputatierisico’s en verwachtingen van stakeholders.
Hoewel klimaatmitigatie als materieel werd beschouwd, heeft onze dubbele materialiteitsanalyse geen materiële klimaatgerelateerde fysieke of overgangsrisico’s voor ons aan het licht gebracht. Gezien onze verminderde operationele voetafdruk en beperkte emissie van broeikasgassen in 2025 zijn er voor deze verslagperiode geen gedetailleerde klimaatgerelateerde risicobeoordeling, klimaatscenarioanalyse en veerkrachtanalyse uitgevoerd. Het weglaten van deze informatie weerspiegelt de uitkomst van onze materialiteitsanalyse en de beperkte blootstelling van ons huidige bedrijfsmodel aan fysieke risico’s in verband met het klimaat. Bijgevolg kan geen uitspraak worden gedaan over de veerkracht van de Vennootschap ten aanzien van klimaatverandering. Naarmate de strategische herziening vordert, zal de relevantie van klimaatgerelateerde impacts, risico’s en kansen blijven worden gemonitord in de context van ons evoluerende bedrijfsmodel.
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de materiële impacts, risico’s en kansen (IRO’s) die voor het boekjaar 2025 zijn geïdentificeerd in overeenstemming met ESRS 2 (SBM 3 en IRO 1), en weerspiegelt de uitkomst van onze dubbele materialiteitsanalyse voor het boekjaar 2025.
Materiële kwestie |
Beschrijving |
Type IRO |
Waardeketen |
|---|---|---|---|
Milieu
|
De emissies van broeikasgassen door onze activiteiten en waardeketen dragen bij aan klimaatverandering. |
Werkelijk |
Geheel |
Alle materiële IRO’s die onder ESRS E1 zijn geïdentificeerd, vallen binnen de korte termijn (d.w.z. <3 jaar).
E1-2 – Beleid ten aanzien van klimaatverandering
In het verslagjaar hebben we een beleid inzake milieu, gezondheid en veiligheid gehandhaafd, waarvoor de Chief Operating Officer (COO) verantwoordelijk is. Het beleid beschrijft onze toewijding aan duurzame bedrijfsvoering, waarbij de nadruk ligt op het minimaliseren van onze CO2-voetafdruk en het verminderen van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen in al onze activiteiten en de gehele waardeketen. Aangezien het beleid ook in 2025 relevant en van toepassing bleef op onze bedrijfsactiviteiten, werd het opnieuw ondertekend door de COO en CFO om de steun van het uitvoerend management te bevestigen.
Ons beleid omvat toezeggingen om:
Het minimaliseren van broeikasgasemissies door het implementeren van duurzame operationele praktijken;
De energie-efficiëntie verbeteren door middel van technologische upgrades en optimalisatie van hulpbronnen;
Vermindering van vervuiling en afval in onze hele waardeketen; en
Het verbruik van natuurlijke hulpbronnen optimaliseren en waar mogelijk gebruikmaken van duurzame materialen.
Het beleid inzake milieu, gezondheid en veiligheid bleef het primaire kader voor onze klimaatgerelateerde aanpak in 2025. Nu we een nieuwe strategische fase ingaan, zoals uitgelegd in het hoofdstuk “Een nieuwe strategische koers”, zal het beleid worden herzien en indien nodig worden bijgewerkt om eventuele toekomstige veranderingen in onze organisatiestructuur of ons bedrijfsmodel weer te geven.
E1-3 – Maatregelen en middelen wat betreft beleid ten aanzien van klimaatverandering
In 2025 zijn we doorgegaan met het nemen van maatregelen ter ondersteuning van ons beleid inzake klimaatverandering. Onze focus bleef liggen op het beheren van operationele emissies, het verbeteren van de energieprestaties in al onze faciliteiten en het beheren van de milieueffecten die gepaard gaan met veranderingen in onze operationele voetafdruk.
Vanwege de strategische reorganisaties in boekjaar 2025 hebben we geen analyse uitgevoerd waarin het effect van afzonderlijke maatregelen voor decarbonisatie op de CO₂-reductie apart wordt bekeken. Hoewel de gerapporteerde maatregelen vooral van invloed zijn op onze Scope 1-emissies, wordt ons totale emissieprofiel nog steeds gedomineerd door Scope 3-bronnen. Bovendien zijn er momenteel geen plannen om in 2026 aanzienlijke bedragen toe te wijzen aan operationele of CapEx-uitgaven.
Belangrijkste maatregelen en middelen in 2025:
Overgang naar hernieuwbare energie: 42% van ons totale energieverbruik was afkomstig van hernieuwbare energiebronnen, zoals weergegeven in de tabel onder E1-5.
Activiteiten op het gebied van energiebeheer: We zijn doorgegaan met het beheer van het energieverbruik in al onze faciliteiten door de instrumenten en systemen te onderhouden die worden gebruikt voor het meten, reguleren en controleren van de energieprestaties van gebouwen, in nauwe samenwerking met verhuurders.
Hergebruik van activa tijdens de afbouw van locaties: bruikbare apparatuur en meubilair werden hergebruikt en geschonken aan lokale scholen en maatschappelijke organisaties. Deze aanpak heeft bijgedragen aan het verlengen van de levenscyclus van bestaande activa en het voorkomen van de koolstofimpact die gepaard gaat met de productie van nieuwe producten.
Elektrificatie van het wagenpark: Tijdens de afbouwperiode leidde de inkrimping van het personeelsbestand tot een kleiner wagenpark. We hebben deze overgang aangegrepen als een kans om de emissies van het wagenpark te verminderen door bij het aflopen van contracten prioriteit te geven aan het behoud van elektrische voertuigen (EV’s), zoals weergegeven in de tabel onder E1-6. Hoewel de stijging van het aandeel elektrische voertuigen heeft bijgedragen aan lagere emissies van het wagenpark, kan de bijbehorende broeikasgasreductie niet afzonderlijk worden gekwantificeerd, aangezien deze wijziging samenviel met een bredere afname van de omvang van het wagenpark en de gerelateerde activiteitsdata.
In januari 2025 maakten EV’s 46,7% uit van het volledige wagenpark van 225 voertuigen.
In december 2025 vertegenwoordigden EV’s 88% van het verkleinde wagenpark van 119 voertuigen.
Onze op taxonomie afgestemde CapEx in verband met klimaatmitigatie bedroeg €90.000, wat neerkomt op 0,6% van de totale CapEx. Er is in 2025 geen op taxonomie afgestemde OpEx. Meer details zijn te vinden in de EU Taxonomieverklaring 2025. Andere investeringen maken integraal deel uit van onze kapitaalkostenallocaties en/of bedrijfskosten (zoals de overstap naar groene stroom) en worden daarom niet hier, maar in de algemene CapEx en OpEx gerapporteerd.
Maatstaven en doelen
E1-4 – Doelen inzake klimaatmitigatie en klimaatadaptatie
De doelstellingen voor de vermindering van broeikasemissies die in eerdere verslagperiodes zijn bekendgemaakt, zijn ontwikkeld voor een wezenlijk andere operationele perimeter en een ander bedrijfsmodel. Deze omvatten absolute reductiedoelstellingen voor 2030 voor scope 1, 2 en 3 en een langetermijndoelstelling om in 2040 netto nuluitstoot te realiseren, in overeenstemming met het Science Based Targets initiative (SBTi).
In de context van de aanzienlijke organisatorische veranderingen die zijn begonnen met de stopzetting van het portfolio met kleine moleculen en de bijbehorende onderzoeksactiviteiten begin 2025, gevolgd door de daaropvolgende strategische herziening die heeft geleid tot de afbouw van de celtherapieactiviteiten zoals in januari 2026 aangekondigd en beschreven in de sectie “Een nieuwe strategische koers”, worden deze eerder gecommuniceerde doelstellingen momenteel niet langer als van toepassing beschouwd op de organisatie na de afbouw.
Als gevolg hiervan hebben we op de rapporteringsdatum geen meetbare doelstellingen voor klimaatmitigatie of -adaptatie vastgesteld. Aangezien het toekomstige bedrijfsmodel, de configuratie van de waardeketen en de strategische prioriteiten nog niet volledig zijn gedefinieerd, acht het management het in dit stadium niet gepast om herziene doelstellingen voor klimaatmitigatie of -adaptatie vast te stellen.
Bij gebrek aan actieve doelstellingen blijven we de werkelijke broeikasgasemissies monitoren en rapporteren in overeenstemming met ESRSE1-6 en volgt het de jaar-op-jaar veranderingen in emissies als de belangrijkste prestatie-indicator tijdens deze overgangsperiode. Eventuele toekomstige beslissingen over het vaststellen van nieuwe klimaatgerelateerde doelstellingen zullen worden gebaseerd op de uitkomst van de strategische evaluatie en de definitie van onze langetermijnvoetafdruk.
E1-5 Energieverbruik en -mix
|
|
2024 |
2025 |
||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Brandstofverbruik uit steenkool en steenkoolproducten |
MWh |
0 |
0 |
||||
Brandstofverbruik uit ruwe olie en aardolieproducten (*)(**) |
MWh |
2.198 |
2.092 |
||||
Brandstofverbruik uit aardgas |
MWh |
2.793 |
2.497 |
||||
Brandstofverbruik uit andere fossiele bronnen |
MWh |
0 |
0 |
||||
Verbruik van aangekochte of verworven elektriciteit, warmte, stoom en koeling uit fossiele bronnen |
MWh |
269 |
168 |
||||
Totaal fossiel energieverbruik |
MWh |
5.260 |
4.757 |
||||
Aandeel fossiele bronnen in het totale energieverbruik |
% |
48 |
57 |
||||
|
|
|
|
||||
Verbruik van nucleaire producten |
MWh |
231 |
108 |
||||
Aandeel van het verbruik uit nucleaire bronnen in het totale energieverbruik |
% |
2 |
1 |
||||
|
|
|
|
||||
Brandstofverbruik uit hernieuwbare bronnen, inclusief biomassa (waaronder ook industrieel en gemeentelijk afval van biologische oorsprong, biogas, hernieuwbare waterstof, enz. |
MWh |
0 |
0 |
||||
Verbruik van aangekochte of verworven elektriciteit, warmte, stoom en koeling uit hernieuwbare bronnen |
MWh |
5.282 |
3.425 |
||||
Het verbruik van zelf opgewekte hernieuwbare energie die geen brandstof is |
MWh |
108 |
108 |
||||
Totaal verbruik van hernieuwbare energie |
MWh |
5.390 |
3.533 |
||||
Aandeel van hernieuwbare bronnen in het totale energieverbruik |
% |
50 |
42 |
||||
|
|
|
|
||||
Totaal energieverbruik |
MWh |
10.881 |
8.397 |
||||
|
|||||||
Het energieverbruik en de energiemix van 2022 zijn verwijderd uit de E1‑5‑tabel, aangezien we geen klimaatdoelstellingen meer hanteren die een vergelijking met historische trends vereisen. De cijfers voor 2024 blijven opgenomen als referentiejaar; vanwege beperkingen in de beschikbare data kunnen ze echter niet worden herzien om de impact van het stopzetten van het kleine molecule discovery‑programma in 2025 te isoleren. Daardoor vertegenwoordigt 2024 de volledige organisatorische energieverbruik vóór de herstructurering, terwijl 2025 de verminderde energieverbruik weerspiegelt na de strategische transitie.
E1-6 – Bruto scope 1, 2, 3-emissies en totale broeikasemissies
Voor de berekening van onze broeikasgasemissies gebruiken we het GHG Protocol. Voor de organisatorische grens passen we de operationele controlebenadering toe. Dit omvat onze kantoren en laboratoria.
Onze scope 1 omvat energie-/warmteopwekking in onze faciliteiten, bedrijfsvoertuigen en vluchtige emissies. In onze scope 2-emissies zijn aangekochte elektriciteit en stadsverwarming opgenomen. Voor de berekeningen van scope 1 en 2 is gebruikgemaakt van directe gegevens.
Scope 3 bestaat uit zowel upstream- als downstream-activiteiten, zoals weergegeven in de onderstaande tabel. De emissies voor aangekochte goederen en diensten, kapitaalgoederen en upstream-geleasde activa worden berekend op basis van uitgavengegevens. Voor woon-werkverkeer en downstream-transport zijn schattingen gemaakt.
De berekeningen zijn gebaseerd op activiteitsgegevens vermenigvuldigd met de factor voor de emissie. Er is gebruikgemaakt van zowel leveranciersspecifieke factoren voor de emissie als gemiddelde factoren voor de emissie (gemiddelde waarden per sector en land uit verschillende databases).
We blijven werken aan het verbeteren van de kwaliteit van onze data en de consistentie van onze berekeningsmethoden. Voor het verslagjaar 2025 hebben we de volledigheid van onze Scope 3‑inventaris uitgebreid door de dekking van relevante categorieën te verbreden. Dit omvatte de integratie van hotelgegevens in Categorie 6 (Zakenreizen) en de opname van Categorie 15 (Investeringen). Het verbeteren van interne processen voor de verzameling en controle van broeikasgasdata blijft een belangrijk aandachtspunt, en verdere ontwikkeling van deze processen zal worden overwogen naarmate we verder evolueren. Gezien de aard van onze bedrijfsactiviteiten zijn wij tot de conclusie gekomen dat geen van de andere Scope 3-categorieën materieel of relevant is voor de rapportage.
De GHG‑emissies van 2022 zijn verwijderd uit de E1‑6‑tabel, aangezien we geen klimaatdoelstellingen meer hanteren die een vergelijking met historische trends vereisen. De cijfers voor 2024 blijven opgenomen als referentiejaar; vanwege beperkingen in de beschikbare data kunnen ze echter niet worden herzien om de impact van het stopzetten van het kleine molecule discovery‑programma in 2025 te isoleren. Daardoor vertegenwoordigt 2024 de volledige organisatorische voetafdruk vóór de herstructurering, terwijl 2025 de verminderde voetafdruk weerspiegelt na de strategische transitie.
We rapporteren een verdere vermindering van de Scope 1-, Scope 2- en Scope 3-emissies in 2025 ten opzichte van de emissies in het jaar 2024. Deze verminderingen kunnen echter niet worden geïnterpreteerd als vooruitgang ten opzichte van de eerder bekendgemaakte klimaatdoelstellingen die voor 2030 in 2024 of het transitieplan. De gerapporteerde daling van de emissies in 2025 is voornamelijk toe te schrijven aan de strategische reorganisatie van het bedrijf, zoals uitgelegd in het hoofdstuk “Een nieuwe strategische koers”, en slechts in mindere mate aan onze inspanningen om maatregelen voor koolstofreductie uit te voeren.
|
|
2024 |
2025 |
||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Scope 1-emissies van broeikasgassen |
|
|
|
||||||||||
Bruto Scope 1 broeikasgasemissies (****) |
TCO2e |
1.053 |
964 |
||||||||||
Percentage van Scope 1-emissies van broeikasgassen uit gereguleerde ETS |
% |
0 |
0 |
||||||||||
|
|
|
|
||||||||||
Scope 2-emissies van broeikasgassen |
|
|
|
||||||||||
Bruto locatiegebonden Scope 2 broeikasgasemissies |
TCO2e |
1.188 |
749 |
||||||||||
Bruto marktgebaseerde Scope 2-broeikasgasemissies |
TCO2e |
114 |
88 |
||||||||||
|
|
|
|
||||||||||
Significante Scope 3 broeikasgasemissies |
|
|
|
||||||||||
Totale bruto indirecte (Scope 3) broeikasgasemissies |
TCO2e |
48.128 |
33.450 |
||||||||||
Aangekochte goederen en diensten (*) |
TCO2e |
39.116 |
26.581 |
||||||||||
Kapitaalgoederen (*) |
TCO2e |
6.133 |
3.362 |
||||||||||
Brandstof en energiegerelateerde activiteiten (*) |
TCO2e |
350 |
329 |
||||||||||
Upstream geleasde activa (*) |
TCO2e |
366 |
42 |
||||||||||
Afval gegenereerd tijdens activiteiten (*) |
TCO2e |
212 |
168 |
||||||||||
Verwerking van verkochte producten (*****) |
TCO2e |
239 |
1.100 |
||||||||||
Gebruik van verkochte producten |
TCO2e |
N/A |
N/A |
||||||||||
Behandeling van verkochte producten aan het einde van hun levensduur (*) |
TCO2e |
3 |
0,43 |
||||||||||
Downstream geleasde activa |
TCO2e |
N/A |
42 |
||||||||||
Franchises |
TCO2e |
N/A |
N/A |
||||||||||
Upstream transport en distributie (*) |
TCO2e |
2 |
N/A |
||||||||||
Downstream transport en distributie (**) |
TCO2e |
1 |
0,07 |
||||||||||
Zakenreizen (*) |
TCO2e |
1.450 |
1.461 |
||||||||||
Woon-werkverkeer van werknemers (**) |
TCO2e |
255 |
225 |
||||||||||
Financiële investeringen |
TCO2e |
N/A |
140 |
||||||||||
|
|
|
|
||||||||||
Totale broeikasgasemissies |
|
|
|
||||||||||
Totale broeikasgasemissies (locatiegebonden) |
TCO2e |
50.369 |
35.214 |
||||||||||
Totale broeikasemissies (marktgebaseerd) |
TCO2e |
49.295 |
34.501 |
||||||||||
Totale broeikasgasemissies (locatiegebonden) per netto-opbrengsten (***) |
TCO2e per €000 |
0,183 |
0,0317 |
||||||||||
Totale broeikasemissies (marktgebaseerd) per netto-opbrengsten (***) |
TCO2e per €000 |
0,179 |
0,0310 |
||||||||||
|
|||||||||||||